Tora Yeshua  תורה־ ישוע

 Welkom op onze geheel vernieuwde website; stuur ons uw suggesties dan wordt het nog mooier.

Artikel Rene Suss – Luthers theologisch testament – Over de Joden en hun leugens

Precies een jaar geleden (juli 2006) verscheen er een opmerkelijk geschrift van de hand van René Süss, getiteld: ‘Luthers theologisch testament – Over de Joden en hun leugens’. Het boek is als een omvangrijke dissertatie (ruim 500 pagina’s) verschenen bij de VU University Press.

Het gaat hierbij niet alleen om de vertaling in het Nederlands van een fel antisemitisch smaadschrift uit 1543 van de grote kerkhervormer Maarten Luther, maar ook om een doorwrocht commentaar. Het geschrift van Luther behelst immers ‘slechts’ zo’n 100 pagina’s en het overige is dus geheel het werk van René Süss zelf.
Om verschillende redenen zie ik de verschijning van deze dissertatie als een mijlpaal als het gaat om het zuiveren of ontmaskeren van ons kerkelijke en dogma-historische verleden. Niet alleen hebben de meeste theologen, predikanten en voorgangers, laat staan de doorsnee gelovigen geen enkele kennis van met name dit antisemitische geschrift van Luther, maar ook in de meeste kerkelijke opleidingen wordt doorgaans geen enkele aandacht aan dit kwalijke hoofdstuk besteed.

Voor het eerst kan het Nederlandse publiek nu kennis nemen van een stukje kerkelijk en dogmatisch antisemitisme van eigen – protestantse – bodem. Voor het eerst wordt hier een vaak verzwegen aspect van dé grote kerkhervormer Maarten Luther belicht, dat generaties gelovige volgelingen van Hervorming en Reformatie, althans wat ‘de Joden’ betreft, voor eeuwen op het verkeerde been heeft gezet. Luther heeft zich namelijk geenszins gedistanciëerd van de kwalijke anti joodse praktijken ten tijde van de Kruistochten en de Inquisitie. Op precies datzelfde punt verklaarde hij zich één en verbonden met de (Rooms) Katholieke traditie van jodenhaat en jodenverguizing uit de Middeleeuwen.
René Süss is op het spoor van zijn onderzoek gekomen door intensieve bestudering van de opzienbarende geschriften van Hans Jansen: ‘Christelijke theologie na Auschwitz’ , die in twee omvangrijke delen verschenen in 1981 en 1985. In deze werken werd een onvoorstelbare hoeveelheid belastend materiaal verzameld en neergelegd teneinde de theologische en kerkelijke wortels van het antisemitisme bloot te leggen (ontmaskeren). Een eerste studie op grond van al dit belastende documentatie materiaal besteedde René Süss aan de irrationele (dat wil zeggen: intuïtieve, niet beredeneerbare) aversie jegens de Joden van de invloedrijke theoloog Karl Barth, die zijn anti joodse houding in een brief gericht aan zijn leerling Friedrich Wilhelm Marquardt openlijk had opgebiecht. Deze aversie jegens de Joden speelde een belangrijke rol in Karl Barth’s verkiezingsleer, zoals beschreven in zijn Kirchliche Dogmatik. Kortweg samengevat als een theologische fundering van de zgn. vervangingstheologie waarin voor God’s oogappel: het Joodse volk geen plaats (meer) is. De bevindingen van René Süss zijn destijds neergelegd in zijn studie: ‘Een genadeloos bestaan – Karl Barth en de Joden’ die in 1991 verscheen. Nu wil ik echter nader ingaan op de uitlatingen van Luther zelf, die voor geen enkel misverstand vatbaar zijn. Ik waarschuw u van tevoren, ook als u eerder wel eens antisemitische uitlatingen van Luther hebt vernomen: wat ik citeer zal voor de meesten onder u schokkend zijn!

Luther’s testament
Wat moeten wij christenen nu doen met dit verworpen, verdoemde volk der Joden? Over onze kant kunnen wij het niet laten gaan, nu ze onder ons zijn en wij op de hoogte zijn van hun leugens, lasterpraatjes en vervloekingen. Wij moeten oppassen dat we geen deel krijgen aan hun leugens, vervloekingen en laster. Het onuitblusbare vuur van de goddelijke toorn, waar de profeten over spreken, kunnen wij niet doven, noch kunnen wij de Joden bekeren. We moeten biddend en God vrezend een scherpe barmhartigheid uitoefenen. Misschien kunnen we nog enigen uit de vlammen en de vuurgloed redden. Ik zal mijn welgemeende raad geven.
Ten eerste moet men hun synagogen of scholen in brand steken en wat niet branden wil moet men met aarde overdekken zodat geen mens er een steen of een sintel meer van ziet, voor eeuwig niet. Dit moet men doen ter ere van onze Heer en de christenheid, opdat God ziet dat wij christenen zijn en zulk publiekelijk gelieg, gevloek en gelaster over zijn zoon en zijn christenen niet hebben geduld en hebben ingewilligd.

Mozes schrijft in Deuteronomium 13 e.v. ‘Waar een stad afgoderij bedrijft moet men die met vuur geheel verwoesten en er niets van overlaten’. Als hij nu zou leven zou hij de eerste zijn die de scholen en de huizen van de Joden in brand stak.
De leer van de Joden nu bestaat heden ten dage uit niets anders dan toevoegingen van de rabbijnen en uit de afgoderij van de ongehoorzaamheid jegens de Messias en de wetten, zodat Mozes volstrekt onherkenbaar bij hen is geworden – precies zoals onder het pausdom de Bijbel onherkenbaar is geworden.

Ten tweede moet men ook hun huizen afbreken en verwoesten. Want daar binnen doen ze hetzelfde als in hun scholen. In plaats daarvan brenge men hen onder een simpel dak of men wijze hun een stal toe, zoals in het geval van de zigeuners. Zij moeten weten dat ze geen heersers zijn in ons land
zoals ze pochen, maar in ballingschap zijn als gevangen leven. Dan kunnen ze zonder onderbreking moord en brand over ons schreeuwen en over ons jammeren en klagen.

Ten derde moet men hun al hun gebedenboeken en Talmoedboeken afnemen waarin de genoemde afgoderij, leugens, vervloekingen en laster geleerd worden.

Ten vierde moet men hun rabbijnen op straffe van de dood verbieden voortaan nog te onderwijzen. Want een dergelijk ambt hebben ze volstrekt terecht verloren, omdat ze de arme Joden met de uitspraak van Mozes in Deuteronomium 17: 10 gevangen houden, waarin hij betuigt dat zij hun leraren moeten gehoorzamen op straffe van verlies van lichaam en ziel. Maar Mozes voegt er heel duidelijk aan toe: ‘wat zij jullie leren overeenkomstig de wet des Heren’. Maar daar lezen de schurken overheen en ze misbruiken de gehoorzaamheid van het arme volk voor hun ongehoorzame schending van de wet des Heren door er hun gif, vervloeking en laster in te gieten.

Ten vijfde moet men de Joden het vrijgeleide geheel ontzeggen en hun een straatverbod geven. Zij hebben buiten op het land niets te zoeken, omdat ze geen heren, geen beambten noch handelaars of dergelijke zijn. Zij moeten thuis blijven.

Ten zesde moet men hun het woekeren verbieden, dat hun ook door Mozes verboden is, aangezien ze niet in hun land zijn en geen heersers zijn over vreemde landen. Men moet hun al hun contanten afnemen. Sieraden van zilver en goud neme men in bewaring. Immers alles wat ze bezitten hebben ze gestolen, geroofd door hun gewoeker, omdat ze afgezien daarvan geen middelen van bestaan hebben.

Er zijn twee soorten Joden of Israëlieten. De eersten zijn degenen die Mozes uit Egypte het land Kanaän binnenleidde zoals God hem had bevolen. Dezen gaf hij zijn wet, die ze in datzelfde land moesten onderhouden, niet elders en wel tot de komst van de Messias. De anderen zijn de Joden van de keizer en niet die van Mozes. Zij begonnen zich te manifesteren ten tijde van de landvoogd Pilatus in het Judese land. Toen deze hen vroeg ‘Wat moet ik doen met Jezus die men Messias noemt?’ schreeuwden zij ‘Kruisig hem, kruisig hem!’ Hij echter sprak ‘Moet ik jullie koning kruisigen? Zij schreeuwden nogmaals ‘Wij hebben geen andere koning dan de keizer’. Een dergelijke onderworpenheid aan de keizer heeft God hun niet geboden. Ze deden het uit zichzelf.
Ten zevende moet men de jonge sterke Joden en Jodinnen dorsvlegels, bijlen, houwelen, schoppen, spinrokken en spinnewielen ter hand stellen en hen hun brood laten verdienen in het zweet huns aanschijns, zoals het de kinderen van Adam opgelegd is. Want het gaat niet aan dat zij ons, die vervloekte gojiem, in het zweet ons aanschijns laten werken en dat zij, die heilige lieden achter de kachel liggen te luilakken en hun dagen genieten in vetzucht en pracht, er lasterlijk op pochen dat zij de heren zouden zijn, ten koste van ons zwoegen. Men moet hun het luie zweet uit hun lichaam drijven. Daarom nu en voor altijd: weg met hen!

Evaluatie
Ik kan mij voorstellen dat u tijdens deze bijeenvoeging van citaten – het zijn de letterlijke bewoordingen van Luther – met uw oren stond te klapperen of dat u zelfs (het merendeel van) deze schandelijke beschuldigingen aan het adres van de Joden niet hebt kunnen of willen aanhoren. Als dat het geval was, dan zou uw reactie wel eens niet veel anders kunnen zijn dan die van vele theologen, predikanten en voorgangers die déze tekst van Luther weigeren aan zichzelf toe te laten en daarmee weigeren Luther te ontmaskeren als een gevaarlijke en onverzoenlijke antisemiet. Men kan het niet over zijn hart verkrijgen en toelaten om deze grote kerkhervormer te bekladden en hem van zijn voetstuk te stoten. Maar dat betekent dat men de alledaagse werkelijkheid van toen én van vandaag, waarvan immers ook de Joden deel uitmaakten en uitmaken, niet aan zichzelf wil toelaten. Want ook wij zitten vandaag sinds eeuwen opgescheept met een faliekant verkeerde en misleidende theologie met betrekking tot Israël en het Joodse volk. De vervangingstheologie, die gelukkig vandaag heviger dan ooit onder kritiek staat.
Tot de recensie van deze dissertatie van René Süss toe, die vele jaren voorganger is geweest van de Nederlands Hervormde Kerk, maar thans is overgegaan tot en actief is geworden binnen de joodse gemeenschap, gonst het sinds 2006 van geïrriteerde stemmen die dit testament van Luther weigeren te erkennen niet alleen, maar bij hoog en laag volhouden dat het bij Luther helemaal nooit om antisemitische uitlatingen is begonnen. Tijdens de promotie in Brussel heerste veel rumoer en een grimmige sfeer. Men heeft zelfs pogingen in het werk gesteld om de handelseditie van de dissertatie van René Süss te verhinderen en onmogelijk te maken.
Waar men eigenlijk niet van wil horen is dit: dat er een structurele samenhang bestaat tussen de theologie van Luther (maar ook van de gereformeerde verbondstheologie gebaseerd op het Nieuwe Testament) en Luther’s jodenhaat ofwel het antisemitisme. Men beweert dan (Calvijn als eerste) dat Luther aan het einde van zijn leven verteerd werd door verschrikkelijke ruzies, scheldpartijen en ziekelijke achterdocht en dat men zijn jodenhaat niet als blauwdruk over heel zijn theologie moet leggen. Jammer, maar ook dit laatste, wat vaak als verdediging wordt aangevoerd om het gezag en de betekenis van Luther te redden, is een aperte vertekening, een leugen zelfs. Luther was van meet af aan en heel zijn leven een fervente antisemiet, niet pas tijdens zijn laatste levensjaren.
Laten wij die beschamende werkelijkheid maar eerst eens onder ogen zien. De werkelijkheid dat niet alleen het Rooms Katholicisme maar ook de Protestantse theologie doortrokken is van anti judaïsme en antisemitisme. Laten wij echter tegelijkertijd niet vergeten de overige verdiensten van Luther als vertaler van de Bijbel in het Duits, als doortastend kerkhervormer, als pastoraal uitlegger van de Bijbel om zijn gelovige tijdgenoten te bemoedigen. Toch moet gezegd worden dat Luther, als het gaat om Israël en het Joodse volk, ons een volkomen onbijbelse, verkeerde en insinuerende weg heeft gewezen. Laten wij daar onze spijt over betuigen, daarvoor ook vergeving vragen omdat wij ook uit onszelf niet geheel vrij (of geheel bevrijd) zijn van anti judaïsme of van antisemitische gevoelens.
In de jaren die ik sinds 1985 in Kampen heb doorgebracht, heb ik op een gegeven moment contact gezocht met de studentenpastor ds. Jaap Faber. Deze predikant heeft zich diepgaand met de holocaust (shoah) bezig gehouden en heeft ook onze tentoonstellingen ‘Beelden van de holocaust’ (1998) en ‘Leven na de shoah’ (2004) bezocht. Hij was daar zichtbaar van onder de indruk. Evenals René Süss heeft ook Jaap Faber zich grondig verdiept in de theologische wortels van het anti judaïsme en het daaruit voortvloeiende antisemitisme. Hij heeft jarenlang contact gehad met de studentengemeente van Jena, tot de hereniging van Duitsland een stad in de DDR. Ds. Faber heeft zich met name bezig gehouden met de jaren voordat het nationaal-socialisme in Duitsland aan de macht kwam. Het materiaal van de volgende overdenking stamt van zijn hand en is overigens uitvoeriger gepubliceerd in het decembernummer (2005) van het tijdschrift Herademing.

De Thüringer kerk in het Derde Rijk
Aanvankelijk leek de Nazistaat ‘kirchenfreundlich’. Het partijprogram streefde een zogenaamd ‘positief’ christendom na, een christendom van de daad. Voor de goede verstaander: een arisch christendom waarin voor de Joden geen plaats was. De overweldigende meerderheid van de Duitse protestanten (om van de Rooms Katholieken maar te zwijgen) steunde Hitler. Conservatisme, Blut und Boden nationalisme, weerzin tegen de democratie van Weimar vloeide daar samen tot de beweging van de ‘Deutsche Christen’ die in 1933, het jaar waarin Hitler aan de macht kwam, 70% van de stemmen behaalde. In Thüringen lag dit percentage nog veel hoger. De universiteit van Jena, de theologische faculteit niet uitgezonderd, werd een bolwerk van het nationaal-socialisme en van anti-joodse theologie.
De ontjoding van de staat hield gelijke tred met de ontjoding van de kerk. Weliswaar was er sprake van een breed verzet (een derde deel van de predikanten) dat zich uitsprak tegen gelijkschakeling van de kerk met de doelen van het nationaal-socialisme. Dit verzet werd verwoord in de Barmer Thesen (1934) van de Bekennende Kirche. Maar deze stellingname sprak zich in ’t geheel niet uit over de Joden. De daadwerkelijke hulp aan vervolgde Joden moest van enkelingen komen. De Bekennende Kirche raakte later door compromissen ook verdeeld en verzwakt.
Thüringen is een overwegend Lutherse landstreek. Toen op Luthers verjaardag – Reichskristallnacht – de synagogen brandden en joodse eigendommen werden verwoest en geroofd, bejubelde de bisschop van Thüringen dat als de vervulling van Luthers eisen. Het was in Thüringen dat de ontjoding van kerk en staat het meest radicaal werd doorgevoerd. Als de filosoof Karl Jaspers in 1945 terugkijkt, schrijft hij: ‘Wat Hitler gedaan heeft, werd door Luther aanbevolen; behalve de gaskamers.’
De theoloog Gerhard Kittel (1888 – 1948)
Veel theologen zijn vandaag nog bekend met het invloedrijke negen delen omvattende theologisch woordenboek op het Nieuwe Testament van de theoloog Gerhard Kittel. Dit werk is in 1928 begonnen en voltooid in 1973. De eerste vier delen verschenen tussen 1932 en 1942.
Het was de nieuw testamenticus en judaïcus Gerhard Kittel die in het voorwoord van deze omvangrijke arbeid de hoop uitspreekt dat het een bijdrage mag zijn aan de gezondmaking en echte eenheid van de kerk, die uitsluitend uit de boodschap van het Nieuwe Testament kunnen ontstaan. Voor geïnteresseerden: Dit ‘Theologisches Wörterbuch zum Neuen Testaments’ wordt in voortgezette vorm door Gerhard Friedrich compleet in 11 banden momenteel antiquarisch aangeboden door het antiquariaat Müller in Vlaardingen voor € 175.-
Gerhard Kittel was aangesloten bij de NSDAP en werd na de oorlog uit zijn ambt ontslagen. Hij was verantwoordelijk voor 26 artikelen. Reeds in 1933 publiceerde hij een aantal geschriften over de joodse kwestie en verdedigde hij de aanname van de zgn. Ariërparagraaf in de kerk. Voor hem was het nationaal-socialisme een sanerende vernieuwingsbeweging voor het volk. De Republiek van Weimar vertegenwoordigde moderniteit, secularisatie en decadentie. Daarvoor achtte hij het diaspora jodendom verantwoordelijk. Het jodendom is ten diepste een religieus vraagstuk. Want na het jaar 70 moeten de Joden in de verstrooiing leven, onder de vloek wegens hun verwerping van Christus. Hun geschiedenis is daarmee geen heils- maar onheilsgeschiedenis geworden. Daarom accepteert Kittel de rassenwetten van 1935. Hij beschouwt het als een kwalijke erfenis van de Franse Revolutie dat men sindsdien, door de gelijke burgerrechten voor alle mensen af te kondigen, blind is geworden voor de religieuze dimensie van de ‘Judenfrage’. Aan de situatie van de joden moet men namelijk hun verworpen en vervloekt zijn kunnen aflezen.
Walter Grundmann (1906 – 1976)
Een van de medewerkers aan het grote woordenboek op het Nieuwe Testament was Walter Grundmann, die ook bij Gerhard Kittel is gepromoveerd. Hij publiceerde in deze jaren 22 artikelen en na de oorlog zelfs nog 5!
Grundmann was partijlid vanaf 1930 en sinds 1934 verbonden aan de SS. In zijn boeken zoals ‘Gott und Nation’ en ‘Totale Kirche im totalen Staat’ verkondigt hij het denkbeeld dat de Franse Revolutie de bron is van alle kwaad en dat de ontjoding van de kerk niets anders is dan de consequentie van de Reformatie.

Als hoogleraar sinds 1938 schafte hij het Hebreeuws als examenvak af. Hij verkondigde een arische Jezus die gelet op zijn zieleadel ‘blutsmässig’ eenvoudig geen jood geweest kon zijn, ook al behoorde hij in het toenmalige Galilea tot de joodse confessie die hij evenwel radicaal doorbroken heeft. Een gezond volk moet, aldus Grundmann, het jodendom in elke vorm afzweren. Hij is de prominente nieuw testamenticus geweest die vanachter zijn comfortabele schrijftafel de theologische legitimatie leverde voor de massamoord in Auschwitz en andere vernietigingskampen. Na de oorlog was hij zich van geen schuld bewust, erger nog, hij voelde zich zelfs slachtoffer. Nog jarenlang heeft hij in de DDR vooraanstaande kerkelijke posities bekleed, hoewel hij uit Jena weg moest.
Grundmaann is ook verantwoordelijk voor de ‘Godesberger Erklärung’ die als de tegenhanger van de ‘Barmer Thesen’ kan worden beschouwd. Lof was er voor Hitler die in politiek opzicht Luthers werk voortzette en het Duitse volk tot een waar verstaan bracht van het christelijk geloof. De tegenstelling tot het jodendom is onoverbrugbaar. Na deze verklaring wordt een ‘Institut zur Erforschund und Beseitigung des jüdischen Einflusses auf das deutsche kirchliche Leben’ gevormd dat plechtig werd geopend in 1939 op de Wartburg, het kasteel waar Luther zich schuil hield na bekendmaking en verkettering van zijn 95 stellingen en het Nieuwe Testament in het Duits vertaalde. Walter Grundmann hield het belangrijkste referaat, waarbij hij onder meer verkondigde dat de strijd tegen het jodendom voor het volk een onherroepelijke plicht is.
Gemeten naar het aantal leden en de talloze publicaties was dit instituut, dat zich met de afschaffing van het jodendom bezighield, wel het allerbelangrijkst. Meer dan vijftig professoren uit geheel Duitsland gaven hier college. De publicaties brachten veel geld op, maar ook afgezien daarvan ondervond het instituut massale (financiële) steun van alle kerkelijke denominaties.
Als de drie belangrijkste taken voor het instituut noemde Grundmann achtereenvolgens: het samenstellen van een Bijbel, een Liedboek en een Catechismus. In 1940 verscheen inderdaad een van joodse smetten gezuiverde Bijbel, getiteld ‘Die Botschaft Gottes’ als het beloofde volkstestament, waaruit het gehele Oude Testament was weggesneden. Het nieuwe christendom is bevrijd uit de aarden vaten van een joodse wereldbeschouwing, omdat God het Duitse volk in een andere geschiedenis heeft geplaatst.
Jezus is in Lucas 2 niet geboren in het land Juda en heerser over de stad Davids. Hij is niet besneden en is ook niet de vertrooster van Israël. Als Jezus op Palmzondag door het volk wordt toegejuicht met de woorden: ‘Heil und Segen dem Gottesgesandten!’ herinnert niets aan het komende rijk van David of aan Jezus als de koning over Israël. In Johannes 4: 22 wordt de passage: ‘het heil is uit de Joden’ geschrapt. Het boek Handelingen is geheel ontjoodst en herschreven. Alle herinneringen aan de stam Israël zijn verdoezeld. Ook het in 1941 verschenen Liedboek ‘Grosse Gott wir loben Dich’ vertoont dezelfde kenmerken. Alle joodse verwijzingen die Grundmann ‘Zionismen’ noemt zijn verdwenen.
Tenslotte de grote catechismus die in hetzelfde jaar 1941 verscheen onder de titel ‘Deutsche mit Gott’.
Deze catechismus eindigt met een nieuw Duits credo, een vervanging van de tien geboden door twaalf Duitse geboden en een herschreven ‘Onze Vader’.
Ik geef een klein voorbeeld van wat wij hierin kunnen lezen.
Citaat: ‘Derhalve kán Jezus geen Jood geweest zijn! Tot op de huidige dag vervolgt het jodendom met onverzoenlijke haat Jezus en allen die hem volgen. Daarentegen vonden juist arische mensen bij Jezus Christus antwoord op hun laatste en diepste vragen. Zo werd hij ook de heiland voor de Duitsers.’
In massale oplagen werden deze bijbelvervalsende publicaties verspreid en gelezen. Nog lang na de oorlog kon men dergelijke boekwerken zelfs tegenkomen in de bibliotheken van plaatselijke kerken. Pogingen om het ontjodings-instituut te Eisenach na de oorlog nieuw leven in te blazen zijn (gelukkig) op niets uit gelopen.
Achteraf kan men duidelijk zien hoe de nazi leiders opportunistisch met deze hele zaak omgingen. Ten diepste dachten zij er namelijk geringschattend over. Dat volkstestament, dat liedboek en die catechismus vonden zij maar half werk. Op die manier kon je niet een echt Duits christendom verkrijgen. Zij wisten immers dat Hitler reeds in 1941 had gezegd dat hij na de eindoverwinning (en de uitroeiing van de Joden) ook met de christenen definitief zou afrekenen.

Het is beschamend dat het merendeel der Duitse kerkleiders het nationaal-socialisme van Hitler en zijn staf klakkeloos is gevolgd en dat zij in grote getale hebben meegewerkt aan de ‘Beseitigung des Judentums’ in Duitsland, en in andere landen van Europa en dat zij daarmee ook mede verantwoordelijkheid dragen voor de genocide op het joodse volk. Een genocide die in de wereldgeschiedenis zijns gelijke niet kent, ook al vinden vandaag de dag vele volkerenmoorden in vergelijkbare vorm op talloze plaatsen in de gehele wereld plaats. Ook vele Nederlandse theologen en kerkleiders zijn volkomen te kort geschoten in het waarschuwen tegen en het bestrijden van het nationaal-socialisme.

Auteur: Mark Klijn
Evt. vragen en/of reacties aan hem zullen doorgestuurd worden,desgewenst.

Navigeer naar andere artikelen

Geef een reactie

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>

*